Jules De Roovere: “Het ging op z'n Duits: poederen, poederen, poederen”
Jules De Roovere is een van de weinige pioniers uit het grimevak die de film aandurfden. Dat werd, heel anders dan in het theater, kleumen en improviseren. Een relaas vanaf de werkvloer, met de plakkertjes van Hollywood-ster Linda Christian en de shadow-spray van Rob de Vries, Nasenkitt, zwart-witbloed en waterglas. De basis legde grimeer-godfather Michels: 'Jules, je moet trekken en doorsullen, en trekken, en doorsullen!'
Jules De Roovere: 'Ik was als assistent-grimeur in Cinetone aan het werk bij de opnamen van De vliegende Hollander, de 'Fokker-film' zoals we hem noemden. Zwaar werk, ik stond de hele dag achter de camera en om de haverklap was het: "Jules! Make-up!" Dan rende ik met mijn grimeerkist vol dozen poeders en pancakes naar Ton Kuyl. Hij zat als Anthony Fokker in een nagebouwde Spin, zo'n open vliegtuigje uit de begintijd van de luchtvaart. Ik zet die kist neer en ik breng wat poeder en zo bij Ton op. "Klaar? Geluid?" Ik loop weer terug naar mijn plek en het shot wordt gemaakt: "Jongens die zit erin, volgende opname." Dan zie ik die kist van me staan, pal voor de Spin met Ton Kuyl. Die is dus in beeld geweest. Ik dorst niks te zeggen. De volgende dag, bij het kijken van de rushes in het projectiezaaltje van Cinetone, zakte ik steeds verder tussen de banken weg. Nou komt het, dacht ik en ja hoor: ik zie de kist prominent op de voorgrond staan. Maar film werkt heel raar: als er geen figuranten zijn, mis je ze en zijn ze er wel, dan zie je ze niet. Je kijkt naar de actie. Zo ook met mijn grimeerkist: ze zagen het niet!'
De Roovere weet niet meer of die oude uitklapkist vol dozen schminkspul, het flesje mastiek om pruiken of baarden vast te plakken en natuurlijk een spiegel in het deksel, in de film terecht is gekomen. En al was het zo, 'die film heeft maar een blauwe maandag gedraaid'. De vliegende Hollander van Gerard Rutten (1957) was zijn eerste ervaring met film en die film flopte. Het zou niet de laatste keer zijn dat alle inspanningen op de werkvloer de eeuwigheid niet zouden halen. Maar Ruttens film liet in Nederland een katertje achter, want het was de eerste film die was gemaakt met geld van het nieuwe Productiefonds voor de Nederlandse Film. 'Het was een historische film', zegt De Roovere, 'en daarom moest alles speciaal worden gekapt en geschminkt. Die pionierstijd van Fokker lag toen al decennia achter ons.'
Hij was voor de klus opgeroepen door zijn ervaren collega Karei Bronkhorst. Tijdens de opnamen bleef Bronkhorst boven in de kapkamer paraat. Zo was de werkverdeling: Karei vertoefde met de volledige grime-uitrusting op de eerste etage van de Cinetone-studio's en Jules stond beneden 'op de vloer' met de spullen voor de eerste hulp. De Roovere: 'Filmproducenten betaalden doorgaans voor één grimeur. Pas wanneer Karei het niet aankon, nam hij voor een dag of een paar dagen een assistent mee. Dat was ik. Zo hielp ik hem, eind jaren vijftig, bij De vliegende Hollander en ook bij Kleren maken de man en bij Jenny van Willy van Hemert, de eerste kleurenfilm.'
Op dat moment zat De Roovere, die in 1932 als Belg werd geboren in Utrecht, al weer tien jaar in het vak. Bronkhorst en hij werkten bij de Firma Michels, het toonaangevende grimeerbedrijf. Directeur Herman Michels werd op zijn vakgebied beschouwd als de godfather van de Nederlandse podiumkunsten. 'Michels verzorgde alle professionele theatergezelschappen', vertelt De Roovere, 'al decennialang. De Haagse Comedie, de Nederlandse Comedie, het Rotterdams Toneel, hij deed De Nederlandse Opera, alle speelfilms die werden gemaakt, de televisie-experimenten met Erik de Vries en daarnaast chique instellingen zoals de Alliance Française. Ik had al wat ervaring opgedaan bij een Utrechts bedrijfje, waar ik kort na de oorlog als jongetje van zestien of zeventien leerling-grimeur was geworden. Ik moest toen nog mijn dienstplicht vervullen, twee jaar lang bij Keulen, in de Belgische bezettingszone van de Bondsrepubliek. Erna, in 1952, heb ik bij Michels gesolliciteerd. Ik was namelijk een theaterdier. Niet zozeer om het acteren, ik keek vooral hoe die acteurs eruitzagen.'
Iedereen wilde natuurlijk wel bij Michels werken. 'Ja, ik had geluk. Toen ik solliciteerde had Hans van Manen juist aangekondigd dat hij naar het ballet zou vertrekken. Ik moest proefwerken en toen dat goed ging, mocht ik op Van Manens plek komen. Jazeker, de latere choreograaf. Er komen wel meer persoonlijkheden uit de grimehoek, hoor. De generatie van vlak na de oorlog was heel creatief. We moesten alles zelf uitvinden, want er was niets. Je experimenteerde een eind weg.' Herman Michels bracht niettemin een reservoir aan vooroorlogse kennis mee. 'Een van zijn eerste vragen was: "Wat weet jij van gelaatsanatomie, van anatomie in het algemeen?" Hij heeft me zijn boek Grimeerkunst en historische kapsels gegeven. In die tijd had je amper vakliteratuur. Dat boek is overigens nog altijd heel bruikbaar.'
Michels was een imposante man, zegt De Roovere. 'Hij had gezag en hij zat vol leuke verhalen. Hij is in 1963 overleden. In zijn tijd moesten acteurs die gekapt of gegrimeerd of bepruikt werden dat vaak uit eigen zak betalen. Niet iedereen kwam zijn verplichtingen aan de firma op tijd na. In zo'n geval is Michels wel eens achter het toneel gaan staan. De acteur in kwestie moest op, met pruik en al. Michels deed een greep en ja hoor, daar ging die pruik.'
Vanzelfsprekend werd er alleen met pruiken van echt haar gewerkt, zegt De Roovere. Die ondingen moesten, eenmaal in gebruik, elke paar dagen in model worden gebracht. 'Ik had daar nog helemaal geen kaas van gegeten. Dan ging de deur van het atelier open en kwam Michels binnen. "Wat ben je aan het doen, Jules? Noem je dat onduleren?" Ik wist niet hoe klein ik me moest maken. "Dat zijn wasbordribbels - ga opzij." Michels pakte mijn ijzer, legde het op het vuur van mijn gastoestel, nam de pruik en demonstreerde hoe het moest: "Jules, je moet trekken en doorsullen, en trekken, en doorsullen!" Ja, die beweging zit er altijd nog in, al ben ik met pensioen. Zo'n mooie, glooiende beweging.'
Eigenlijk had De Roovere musicus willen worden, net als zijn vader. 'Maar mijn moeder zei altijd: "Word nooit musicus, want je vrouw heeft geen leven." Daar heb ik nog vaak aan teruggedacht toen ik grimeur was. Vanaf de eerste dag bij Michels was het keihard werken. Overdag atelier, 's avonds opera, overdag atelier, 's avonds Nederlandse Comedie. Ik heb met het oog op dit gesprek wat oude agenda's en plakboeken zitten doorbladeren. Voor het huwelijk met mijn eerste vrouw kreeg ik één dagje vrij. Een gewoon familieleven was er niet bij. Ja, ik ben mijn hele beroepsleven in loondienst.
Het hele interview lezen? 'DE PIONIERS' Interviews met 14 wegbereiders van de Nederlandse cinema door Annemieke Hendriks.
Uitgeverij Internationale Theater & Film Books.
ISBN 90 6403 699 3
